Assen


“Ouwe nepzigeuner.”


“Want dan krijg je opstand.”


“En die sfeer die blijft dan goed.”


“Maar hierzo, overdag is het gezellig en ‘s avonds zitten we nog even na…”


“Dan heb je altijd van die klootzakken die de wouten bellen…”


“Zulke mensen horen eigenlijk in een bejaardencentrum thuis…”


“Nou, wij zwaaien niet met messen en niet met honkbalknuppels…”


“Wij zitten gewoon gezellig bij elkaar, wij hebben het fijn onder elkaar.”


“Ik ben nu al zover heen, dat ik mijn handen ga gebruiken.”


“Ik reed met twee kratten bier achter in de auto van Maastricht naar Groningen.”


“Gewoon.”


“Ze zijn met een uitkering voor me bezig. Als het zo moet, mogen ze het houden.”


“Als je een paar keer steelt, heb je nog meer dan een uitkering.”


“Ik ben 56 keer veroordeeld.”


“Dat klopt. Ik ben nooit de liefste geweest.”


“Leuke handel? – Ja, je moet toch wat doen.”


“Zo doen we dat.”


“Kijk naar jezelf, mongooltje.”


“Wacht maar. Je krijgt straks klappen.”


“Wat een lul, hè?”


“Dat moet in je aard liggen. De een werkt tot aan z’n dood en de ander blijft thuis.”


“Ja, dan moet je toch wat.”


“Een crimineel krijgt niet veel. Een hond die niks gedaan heeft, krijgt de doodstraf.”


“Wegblijven of de politie komt bij jou.”


“Wat is een Turk in een politieauto. Altijd schuldig.”


“Uitkering voor mekaar maken, want werk vinden is niet zo makkelijk.”


“Dit wordt een kakwijk.”


“Het is ook wel ruim binnen, of niet? – De schoorsteen zit er nog in.”


“Je mag de waarheid zeggen.”


“Er zijn er die een hekel aan me hebben, maar daar trek ik me niks van aan.”


“Waarom zou iemand bang voor me zijn? Ik ben ook niet bang voor een ander.”


“Een beetje stelen. Een beetje zuipen.”


“Wat moet ik anders? Ik ben toch al zwerver. Alles is toch al kapot.”